Punch Lines

Bob Hoogenboom

Maurice Punch (71) schrijft onafgebroken, aanhoudend en doordringend over politie. Hij doet dat vanaf het begin van de jaren zeventig toen hij als nieuwsgierige jonge onderzoeker diensten ging meedraaien aan de Warmoesstraat in Amsterdam. Zijn Conduct Unbecoming over corruptie, dat is gebaseerd op zijn ervaringen in Amsterdam, is het referentiepunt voor wetenschappers en praktijkmensen in de hele wereld die interesse hebben voor de omstandigheden waaronder politiefunctionarissen het niet zo nauw nemen met de regels van de rechtsstaat. Ik sprak dit jaar in Ankara een Turkse politieman die aan het promoveren is op politiecorruptie. Ik vroeg hem wie hem zoal inspireerde. Hij noemde de classics en dus ook Maurice Punch.  Punch Lines zijn onvermijdelijk voor diegene die under the skin van politie willen kijken. In de afgelopen drie jaar publiceerde hij drie boeken. De frequentie is opvallend. De diepgang is opvallend. En, het oprekken van de pensioengerechtigde leeftijd, waar de politiek niet echt uitkomt, is opvallend. Punch Lines zijn diep geworteld in de internationale politiesociologie.

Punch Lines graven diep in de praktijk en de casuïstiek en plaatsen deze in een wetenschappelijke context. Punch kan praten met praktijkmensen, met politiek-correcte leidinggevenden en met wetenschappers. Hij is een pracademic. In Shoot to Kill: Police, Firearms and Fatal Force (Policy Press: 2010) reconstrueert hij het doodschieten van Jean-Charles de Menezes. Een jonge Braziliaanse student die ten onrechte wordt aangezien voor een terreurverdachte en bij een metrostation kort na de aanslagen in 2005 wordt doodgeschoten door de politie. De casus roept trage vragen op – zoals Jan Nap in zijn proefschrift omschrijft – die zich niet instrumenteel laten beantwoorden: hoe hard is de informatie waarop operationele eenheden worden aangestuurd en hoe zorgvuldig (en tijdig) verlopen informatieprocessen tussen het crisiscentrum en aanhoudingseenheden? En, onder welke omstandigheden is het legitiem een verdachte te doden? Punch analyseert de zogenoemde ‘Kratos’ methode: het beleid om terreurverdachten wanneer mogelijk uit te schakelen voordat zij explosieven laten ontploffen. Waar wij in Nederland vrij abstract omgaan met het begrip ‘monopolie van fysiek geweld’ toont een dergelijke casus de rauwe werkelijkheid ervan. Ook de vreselijke dilemma’s die spelen. De uitgever verwoordt het zo: ‘This vital and timely book unravels these often misunderstood matters with a fresh look at firearms practice and policy in a traditionally unarmed police service. It is essential reading for all those interested in the state’s role in defining coercion and in policing a democracy’.

Punch Lines vullen Police Corruption (Willan: 2009) waarin wordt gesteld dat ‘Policing and corruption are inseparable’. Begin jaren negentig liet ik studenten van de Politieacademie de film Serpico zien. Het waargebeurde verhaal van een jonge politieman die corruptie aan de kaak wil stellen en botst met horizontale loyaliteiten in de groep en bazen die geen fuss willen. De slogan van de Nationale Politie is ‘waakzaam en dienstbaar aan de rechtsstaat’. Dat betekent dat iedere diender fatsoenlijk moet zijn. De Punch Lines in dit boek problematiseren individuele ontsporingen (‘bad apples’) maar leggen de verantwoordelijkheid daarvoor bij het falen van de organisatie: gebrek aan leiderschap, gebrek aan normatieve professionalisering, gebrek aan voorbeeldwerking (tone at the top).

Deze Punch Lines komen samen in State Violence, Collusion and the Troubles Counter Insurgency, Government Deviance and Northern Ireland (2012). Onbeantwoorde en verontrustende vragen over geweld door de staat in het conflict in Noord-Ierland worden geadresseerd. De Punch Lines ‘documents in chilling detail how the British government turned to desperate, illegal measures in a time of crisis, disregarding domestic and international law’. En hij trekt parallellen met andere vormen van staatsgeweld in Spanje en Zuid-Amerika.

Punch Lines worden zelden besproken in het Tijdschrift voor de Politie, het Tijdschrift voor Criminologie of het Nederlands Juristenblad. Niet in Blauw, niet in het Tijdschrift voor Veiligheid. Niet in de NRC, niet in de Volkskrant. Dat zegt iets over ons als gemeenschap van politiewetenschappers en misschien iets over de oppervlakkigheid waarmee wij genoegen nemen om te praten over ‘veiligheid’. Ik kijk uit naar de volgende Punch Lines.

Twitter Bob Hoogenboom

Eén reactie op “Punch Lines

  1. Ik heb Maurice Punch een aantal malen ontmoet en gesproken. Ik vind hem briljant, zowel in zijn kennis als in zijn opvattingen. Ik beschouw hem als een van de besten op het vlak van politiewetenschap. Zijn boek over de Warmoesstraat heb ik en was destijds inderdaad baanbrekend (ik zat toen bij de Amsterdamse politie).
    De manier waarop politiemensen in discussies vaak in de slachtofferrol gaan zitten en je als wetenschapper je daar langzaam proberen in te trekken, één van hen te worden, en je mee te slepen in de schier hopeloosheid van het werk (“we kunnen het niet aan”), ik heb het meegemaakt hoe hij in een volle zaal (in Friesland) zo’n politieman (nota bene een leidinggevende) keihard aanpakte, “fileerde” bijna. Zijn doel was om mensen te leren ook afstand te nemen van dingen, zaken breder te beschouwen, dieper op vragen in te gaan. Het was bijna therapeutisch.
    Later heb ik met veel bewondering geluisterd naar zijn beschrijving over de vaak dodelijk saaie nachtdiensten die politiemensen over de hele wereld draaien – van Finland tot de VS – zonder dat er iets gebeurt, zonder dat sprake is van werkdruk (behalve het praten erover). Zij zijn – vreemd genoeg – bijna opwindend. Dat is ook het werk, er “zijn”.
    Zijn humor vind ik ook geweldig. In een wereld waar de “consultancy” hoogtij viert (nu misschien wat meer “vierde”) zei hij daarover een keer “most consultants are expensive, fast and superficial, I am cheap, slow and thorough”. Fantastisch!
    Ik had ooit een leuk gesprek met hem over twee niet-politieonderwerpen die ik – als onvervalste Anglofiel -zeer bewonder in zijn zo merkwaardige vaderland: rugby en Britse supermarkten (die veel beter zijn dan de Nederlandse, in ieder geval destijds). Hij heeft ooit als flyhalf gespeeld (dan heb je je als regel de regie in het team) en hoewel hij nu natuurlijk Nederlander is (en veel minder met Engeland op heeft dan ik) was het op het vlak van de supermarkten (toen) zeer met mij eens. Dat was heel leuk. Hij herkende me een keer (dat zal nu wel niet meer gebeuren want ik heb hem al jaren niet meer gezien of gesproken) en we hadden direct weer contact: over rugby en Britse supermarkten. Waarna we moeiteloos overschakelden over het politieberoep (waar de Britten overigens nog steeds heel goed in zijn, en vaak beter dan wij). Ik neem mij voor om in de nadagen van mijn loopbaan (ik ben 60) zijn laatste boek te lezen en daarvan te leren

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *